Reeds in 1927, bij het 25-jarig bestaan van de RDM, werd een begin gemaakt met een pensioenfonds. Opgericht werd een vereniging met een lange naam, namelijk de "Vereeniging tot behartiging van de belangen van het personeel der Naamloze Vennootschap: "De Rotterdamsche Droogdok Maatschappij".
De RDM schonk als jubileumgift een bedrag van f 250.000 als beginkapitaal en in de jaren 1928 tot en met 1931 nog bedragen tot in totaal ƒ 600.000.
Eén van de voornaamste bepalingen was, dat de werknemers recht kregen op een pensioenuitkering van maximaal 60% van f 4.000 na een veertigjarig dienstverband. Uitkeringen heeft dit fonds nooit gedaan.
Na het tot stand komen van de Pensioen- en spaarfondsenwet in 1952 werd in 1958 de Stichting Pensioenfonds van De Rotterdamsche Droogdok Maatschappij opgericht
Alle bezittingen van de "Vereeniging" en de latente pensioenverplichtingen werden, na goedkeuring door de Minister van Sociale Zaken, aan de Stichting overgedragen.
De "Vereeniging" werd vervolgens geliquideerd.
Men mag uit het voorgaande niet de gevolgtrekking maken, dat er bij de RDM vóór 1958 geen pensioenen werden uitgekeerd. Integendeel. Voorzover na te gaan is, zijn er reeds van 1912 af pensioenen uitgekeerd, waarvoor bedragen op de balans van de RDM werden gereserveerd.
Bedrijfspensioenfonds (BPF)
In de naoorlogse jaren heeft de pensioengedachte een belangrijke ontwikkeling doorgemaakt.
In 1947 ging het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie (BPF) van start.
Aanvankelijk alleen voor de handarbeiders. In 1964 werden echter ook de beambten in het fonds opgenomen. Na op bescheiden schaal begonnen te zijn, werd het BPF voor de pensioenvoorziening steeds belangrijker.
Aanvankelijk werden er pensioenrechten toegekend naar rato van de betaalde premies (het middelloon systeem). Dit had tot gevolg, dat op de pensioendatum de pensioenrechten gebaseerd waren op het gemiddelde van het verdiende loon (vanaf 1947 respectievelijk 1964), dat door de voortgaande inflatie aanzienlijk lager ligt dan het laatstverdiende loon.
Er werd met ingang van 1969 een sprong vooruit gemaakt door met ingang van die datum het pensioen te berekenen op basis van het laatstverdiende loon (zij het met enige beperkingen). Als diensttijd werden ook de (fictieve) jaren meegeteld vanaf de 25-jarige leeftijd (het levensjaren beginsel).
Vanaf dat tijdstip vindt er geen verdere opbouw meer plaats in Stichting Pensioenfonds van de RDM, aangezien er op de nieuwe regeling van het BPF geen aanvullingen meer gegeven behoeven te worden.
Wel zijn er in de bepalingen van de stichting zodanige wijzigingen aangebracht, dat ook over de jaren vóór 1969, speciaal voor de oudere werknemers, een goede pensioenvoorziening gewaarborgd is.
RDM-regeling
Het totaal van de pensioenrechten ingevolge AOW, BPF, rentekaart en Stichting Pensioenfonds RDM vormt voor de jongere werknemers in het algemeen een redelijke pensioenvoorziening.
Voor de oudere werknemers, al in dienst vóór het tot stand komen van het Bedrijfspensioenfonds, bleven de pensioenrechten onder een aanvaardbaar niveau. De RDM kwam hierin tegemoet door bij pensionering een aanvullende uitkering toe te kennen tot maximaal 70% van het jaarloon bij een 40-jarig dienstverband, rekening houdend met de uitkeringen van de AOW, het BPF en de rentekaart.
Ook op het weduwe- en wezenpensioen van AWW/ ANW en BPF werden aanvullende uitkeringen toegekend.
De contante waarde van deze aanvullende uitkeringen werd in de balans van de RDM als schuld opgenomen.
Tegen het einde van 1969 werden de verplichtingen overgedragen aan de Stichting Pensioenfonds van De Rotterdamsche Droogdok Maatschappij.