- Artikel 1 - Begripsomschrijvingen en toelichtingen
- Artikel 2 - Pensioenregeling
- Artikel 3 - Deelnemers
- Artikel 4 - Pensioenaanspraken
- Artikel 5 - Deelnemingstijd
- Artikel 6 - Pensioengrondslag
- Artikel 7 - Ouderdomspensioen
- Artikel 7a - Vervroeging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen
- Artikel 7b - Uitruil
- Artikel 8 - Partnerpensioen
- Artikel 9 - Pensioenaanspraken bij scheiding
- Artikel 10 - Wezenpensioen
- Artikel 11 - Aanvullende regelingen
- Artikel 12 - Uitkering
- Artikel 13 - Wijziging van wettelijk geregelde voorzieningen
- Artikel 14 - Verzekering
- Artikel 15 - Financiering der pensioenen
- Artikel 16 - Aanspraken en financiering bij een parttime dienstverband
- Artikel 17 - Voortzetting van de deelneming tijdens arbeidsongeschiktheid
- Artikel 18 - Voortzetting van de deelneming tijdens onvrijwillige werkloosheid
- Artikel 19 - FVP-bijdrageregeling
- Artikel 20 - Voortzetting van de deelneming bij vervroegd uittreden
- Artikel 21 - Verandering van aanspraken en rechten
- Artikel 22 - Beëindiging van de deelneming vóór de pensioendatum
- Artikel 23 - Afkoop
- Artikel 24 - Wettelijk recht op overdracht
- Artikel 25 - Waardevastheid der pensioenen
- Artikel 26 - Onaantastbaarheid der pensioenen
- Artikel 27 - Algemene bepalingen
- Artikel 28 - Inwerkingtreding
- Bijlage I - Kortingsfactoren bij vervroegde pensionering
Artikel 1 - Begripsomschrijvingen en toelichtingen
In dit reglement gelden de begripsomschrijvingen van de statuten.
Voorts wordt verstaan onder :
pensioendatum : de eerste van de maand waarin de deelnemer of gewezen deelnemer 65 jaar wordt.
gepensioneerde : de pensioengerechtigde voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan.
partner : de persoon, waarmee de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde is gehuwd, of een wettig geregistreerd partnerschap heeft gesloten, of een gezamenlijke huishouding voert. De aanvangsdatum van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke huishouding moet voor de pensioendatum liggen.
ex-partner : de persoon die voor de scheiding als partner werd aangemerkt.
gezamenlijke huishouding : hiervan is sprake als :
- de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde op 1 januari 1993 of op latere datum deelnemer was in het fonds; en
- uit een notarieel verleden samenlevingscontract blijkt dat de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde met een andere persoon tenminste een half jaar een gezamenlijke huishouding voert; en
- deze persoon in het samenlevingscontract als begunstigde van het partnerpensioen is aangewezen onder herroeping van eerdere begunstiging; en
- deze persoon ongehuwd is of niet een wettig geregistreerd partnerschap is aangegaan en geen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde is; en
- de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde ongehuwd is of niet een wettig geregistreerd partnerschap is aangegaan; en
- er sprake is van een inschrijving in het bevolkingsregister op hetzelfde adres.
scheiding : hiervan is sprake bij:
- beëindiging van het huwelijk door scheiding; of
- ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed; of
- beëindiging van het wettig geregistreerd partnerschap; of
- beëindiging van de gezamenlijke huishouding.
Als scheidingsdatum wordt gezien de inschrijvingsdatum in de registers van de Burgerlijke Stand dan wel de datum van beëindiging van de gezamenlijke huishouding.
kinderen : de kinderen beneden de 18-jarige leeftijd van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en zijn stief- en pleegkinderen beneden de 18-jarige leeftijd, voorzover deze laatste ten tijde van zijn overlijden door hem werden onderhouden en opgevoed. Met de hiervoor bedoelde kinderen beneden de 18-jarige leeftijd worden gelijkgesteld kinderen van 18 tot en met 26 jaar waarvan de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of een opleiding voor een beroep.
BPF-maximum : het bedrag dat door het bedrijfstakpensioenfonds, onder welks verplichtstelling de deelnemer valt, te weten de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro gevestigd te Amsterdam of de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek gevestigd te Rijswijk, voor de toepassing van zijn pensioenregeling als maximumsalaris respectievelijk grensbedrag in aanmerking wordt genomen.
jaarsalaris : het tot een jaarbedrag herleide vaste maand- of periodesalaris, met inbegrip van de vakantietoeslag en elke vaste jaarlijkse uitkering onder welke benaming ook, zoals dertiende maand, gegarandeerde tantième en dergelijke voorzover deze is betrokken in de vaststelling van de pensioengrondslag voor de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro, dan wel de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, tot maximaal viermaal het BPF-maximum dat door de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro in aanmerking wordt genomen.
bijdragegrondslag : het jaarsalaris voor zover dit uitgaat boven het BPF-maximum.
^ TOP
Artikel 2 - Pensioenregeling
Het fonds kent een pensioenregeling op grond van de pensioenovereenkomst tussen de onderneming en de werknemer. Deze pensioenovereenkomst, die gebaseerd is op een vastgestelde pensioenuitkering, is een uitkeringsovereenkomst in de zin van de Pensioenwet.
^ TOP
Artikel 3 - Deelnemers
- Deelnemer in het fonds is de mannelijke en vrouwelijke werknemer die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, indien en zolang hij of zij een jaarsalaris heeft, uitgaande boven het BPF-maximum.
Een gehuwde werknemer jonger dan 21 jaar, die overigens aan de hier omschreven vereisten voldoet, is uitsluitend deelnemer ter dekking van het risico van het partner- en wezenpensioen. - De werknemer wordt als deelnemer in het fonds opgenomen na door de onderneming als zodanig bij het bestuur te zijn aangemeld en wel op het tijdstip waarop voor het eerst aan de in lid 1 genoemde voorwaarden wordt voldaan.
- Het bestuur is bevoegd op verzoek van de onderneming ook andere werknemers dan de in lid 1 genoemde als deelnemer op te nemen dan wel te handhaven, onder nader door het bestuur vast te stellen voorwaarden, welke niet met de bepalingen van de Pensioenwet in strijd mogen zijn.
- Het bestuur draagt er zorg voor dat de deelnemer in het bezit wordt gesteld van de geldende statuten en het geldende pensioenreglement, alsmede van de eventuele later daarin aangebrachte wijzigingen.
Telkenjare zal het bestuur aan de deelnemer schriftelijk mededeling doen van de grootte van zijn per 1 januari van het betreffende jaar geldende pensioenaanspraken. Tevens zal het bestuur op verzoek van de deelnemer binnen drie maanden, eventueel tegen kostprijs, een opgave van de hoogte van de opgebouwde aanspraken verstrekken.
Bij de jaarlijkse schriftelijke opgave wordt tevens opgave gedaan van de aan het desbetreffende of voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen waardeaangroei van de pensioenaanspraken.
Het bestuur draagt er tevens zorg voor dat overige belanghebbenden op gemakkelijke wijze van de geldende statuten en het geldende pensioenreglement kunnen kennis nemen. - Het deelnemerschap eindigt door :
- het bereiken van de (vervroegde) pensioendatum;
- het overlijden van de deelnemer;
- beëindiging van het dienstverband tussen de deelnemer en een onderneming, tenzij lid 6 van toepassing is;
- het niet meer voldoen aan de in de leden 1 en 3 gestelde voorwaarden;
- beëindiging van de aansluiting van een onderneming bij het fonds.
- Het deelnemerschap eindigt niet indien de deelnemer bij beëindiging van het dienstverband met de onderneming een dienstverband aangaat met een andere onderneming als bedoeld in de statuten van het fonds, of het deelnemerschap voortzet ingeval van arbeidsongeschiktheid, onvrijwillige werkloosheid of vervroegd uittreden, een en ander voorzover voldaan wordt aan de respectieve bepalingen in de artikelen 17, 18 en 20.
^ TOP
Artikel 4 - Pensioenaanspraken
Met inachtneming van de overige terzake dienende bepalingen van dit reglement hebben deelnemers en gewezen deelnemers aanspraak op:
- ouderdomspensioen, ingaande bij in leven zijn op de pensioendatum;
- partnerpensioen, ingaande bij overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, ten behoeve van de partner;
- bijzonder partnerpensioen bij scheiding, ingaande bij overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, ten behoeve van de ex-partner;
- wezenpensioen, ingaande bij overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, ten behoeve van zijn kinderen.
^ TOP
Artikel 5 - Deelnemingstijd
- Voor de werknemer die op 31 december 2003 deelnemer van het fonds is, geldt voor de berekening van de pensioenaanspraken als deelnemingstijd de tijd die de werknemer aaneengesloten in dienst heeft doorgebracht bij één of meer van de ondernemingen.
Ingeval de werknemer in het kalenderjaar van dienstverlating of in het onmiddellijk daarop volgende kalenderjaar vóór 31 december 2003 opnieuw bij een onderneming in dienst is getreden, wordt de deelnemingstijd geacht niet onderbroken te zijn geweest, met dien verstande, dat de tussenliggende tijd voor vaststelling van het pensioen niet als deelnemingstijd in aanmerking wordt genomen. - Voor de werknemer die na 31 december 2003 voor het eerst of opnieuw deelnemer wordt van het fonds, geldt voor de berekening van de pensioenaanspraken als deelnemingstijd de tijd die de werknemer aaneengesloten als deelnemer in dienst heeft doorgebracht bij één of meer van de ondernemingen.
- Met betrekking tot het bepaalde in lid 1 tellen, ter vaststelling van de pensioenen, als deelnemingstijd slechts mee de jaren, doorgebracht na de eerste van de maand waarin de 25-jarige leeftijd wordt bereikt, met een maximum van 40 deelnemingsjaren.
- De deelnemingstijd wordt in jaren en maanden nauwkeurig berekend aan de hand van de personeelsadministratie van de onderneming en de administratie van het fonds. Hierbij wordt een gedeelte van een maand van 15 dagen of minder verwaarloosd, terwijl een gedeelte van een maand van 16 dagen of meer voor een volle maand wordt gerekend.
- Het fonds administreert de deelnemingstijd op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 36 van de Pensioenwet of daarop rustende regelgeving.
- In afwijking van het in de vorige leden bepaalde, worden tevens de jaren meegeteld die door het bestuur, op verzoek van de onderneming, zijn toegekend in verband met de inbreng bij het fonds van elders verworven pensioenaanspraken.
^ TOP
Artikel 6 - Pensioengrondslag
- De pensioengrondslag is, met in achtneming van het gestelde in lid 2, gelijk aan het jaarsalaris, voor zover dit uitgaat boven het BPF-maximum en voor zover dit niet uitgaat boven het tweevoud van het maximum jaarbedrag dat door Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro in aanmerking wordt genomen, vermeerderd met vijfzevende van het jaarsalaris, voor zover dit uitgaat boven het tweevoud van genoemd maximum jaarbedrag.
- Voor een deelnemer van 55 jaar en ouder, die in het voorgaande kalenderjaar ook deelnemer was, wordt na 31 december 2003 het jaarsalaris geacht niet hoger te zijn dan het bedrag dat wordt verkregen door het in het voorgaande kalenderjaar vastgestelde jaarsalaris te verhogen met hetzelfde percentage als de voor het kalenderjaar voor de lonen geldende verhoging van de CAO Metalektro.
Deze bepaling geldt uitsluitend voor het kalenderjaar 2004. - De pensioengrondslag van de deelnemer wordt vastgesteld of opnieuw vastgesteld:
- bij de aanvang van elk kalenderjaar;
- indien het deelnemerschap in de loop van een kalenderjaar aanvangt of opnieuw aanvangt: bij de aanvang respectievelijk de hernieuwde aanvang van het deelnemerschap;
- indien de deelnemer in de loop van een kalenderjaar aansluitend een dienstverband aangaat met een andere onderneming: bij de aanvang van het deelnemerschap bij de andere onderneming.
^ TOP
Artikel 7 - Ouderdomspensioen
- Het ouderdomspensioen gaat in op de pensioendatum en wordt uitgekeerd tot het einde van de maand waarin het overlijden van de gepensioneerde plaatsvindt.
- Het jaarlijkse ouderdomspensioen bedraagt voor elk deelnemingsjaar 1 3/4 % van de laatstelijk vastgestelde pensioengrondslag, waarbij een gedeelte van een jaar naar evenredigheid in aanmerking wordt genomen.
- Voor degene die deelnemer is geworden door toelating van de onderneming tot het fonds wordt het ouderdomspensioen verminderd met 1 3/4 % van de op het tijdstip van aanvang van het deelnemerschap voor hem geldende pensioengrondslag voor elk op dat tijdstip verstreken deelnemingsjaar, waarbij een gedeelte van een jaar naar evenredigheid in aanmerking wordt genomen.
- Indien tijdens het deelnemerschap de pensioengrondslag een verlaging ondergaat, zal ter bepaling van de pensioenaanspraken deze lagere pensioengrondslag slechts voor de op het tijdstip van verlaging nog toekomstige deelnemersjaren in aanmerking worden genomen.
Voor de deelnemer die op 31 december 2003 deelnemer was en voor wie het deelnemerschap - nadat het om de in artikel 3 lid 5, sub d genoemde oorzaak geëindigd was - vóór 31 december 2003 opnieuw is aangevangen, wordt het deelnemerschap geacht tot die datum ononderbroken te hebben voortgeduurd. - Over dezelfde deelnemingsjaren kan niet zowel een pensioen krachtens dit artikel als een pensioen krachtens artikel 22 worden toegekend.
In geval van samenloop van pensioenaanspraken is over de betreffende periode de hoogste van beide van toepassing. - In afwijking van het in lid 2 bepaalde kan door het bestuur tevens een aanspraak op ouderdomspensioen worden toegekend in verband met de inbreng bij het fonds van elders verworven pensioenaanspraken.
- Degene die op 31 december 1988 deelnemer van het fonds was, heeft met terugwerkende kracht op die datum een extra aanspraak op ouderdomspensioen. Deze aanspraak bedraagt per 31 december 1995 11% van het per 31 december 1988, vóór de affinanciering van het backservicegedeelte van de pensioenen als bedoeld in artikel 15 lid 1, ingekochte ouderdomspensioen, waarbij premievrije aanspraken uit een eerder deelnemerschap buiten beschouwing blijven.
Het extra pensioen, alsmede het met dit pensioen samenhangende partner- en wezenpensioen, zal niet ingaan voor 1 januari 1996 en zal worden uitgekeerd indien en zolang het bijbehorende pensioen wordt uitgekeerd.
^ TOP
Artikel 7a - Vervroeging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen
- Op verzoek van een deelnemer of gewezen deelnemer is het bestuur bevoegd te bepalen, dat het ouderdomspensioen ingaat vóór de pensioendatum, doch niet vóór het bereiken van de 55-jarige leeftijd.
Bij de ingang van het ouderdomspensioen vóór de pensioendatum kan naar voorkeur van de deelnemer of gewezen deelnemer de vaststelling van de hoogte van de pensioenbedragen op twee verschillende wijzen geschieden: - Het opgebouwde partnerpensioen blijft ongewijzigd.
Het vervroegde ouderdomspensioen wordt vastgesteld door het ouderdomspensioen, waarop bij het beëindigen van de deelneming aanspraak is verkregen, met inbegrip van de eventueel daarop verleende toeslagen, te verminderen door het toepassen van een leeftijdsafhankelijke actuariële kortingsfactor overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen tabel.
Deze tabel staat vermeld in tabel 1 van bijlage I van dit reglement. De percentages gelden vanaf 1 januari 2005 voor een periode van vijf jaar en zullen na afloop van deze periode telkens opnieuw vastgesteld worden voor een periode van vijf jaar.
De deelnemer of gewezen deelnemer kan na vervroeging volgens bovenstaande methode geen gebruik maken van uitruil als genoemd in artikel 7b. - Het partnerpensioen is 70% van het gekorte ouderdomspensioen.
Voor deze toepassing is schriftelijke toestemming van de partner vereist.
De vervroegde pensioenen worden vastgesteld door zowel het ouderdomspensioen als het partnerpensioen, waarop bij het beëindigen van de deelneming aanspraak is verkregen, met inbegrip van de eventueel daarop verleende toeslagen, te verminderen door het toepassen van een leeftijdsafhankelijke actuariële kortingsfactor overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen tabel.
Deze tabel staat vermeld in tabel 2 van bijlage I van dit reglement. De percentages gelden vanaf 1 januari 2005 voor een periode van vijf jaar en zullen na afloop van deze periode telkens opnieuw vastgesteld worden voor een periode van vijf jaar. - Indien er sprake is van verkregen aanspraken op bijzonder partnerpensioen, heeft vervroeging alleen betrekking op het partnerpensioen ten gunste van een eventuele huidige partner.
Bij vervroeging volgens lid 1b wordt de kortingsfactor gehanteerd op het totale partnerpensioen, waarna het totale te korten bedrag in mindering wordt gebracht op het partnerpensioen dat ten gunste komt van een eventuele huidige partner. - De keuze voor vervroeging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen heeft geen invloed op de hoogte van het verzekerde wezenpensioen.
^ TOP
Artikel 7b - Uitruil
- De deelnemer of gewezen deelnemer kan bij het bereiken van de (vervroegde) pensioendatum geheel of gedeeltelijk afstand doen van zijn aanspraak op partnerpensioen teneinde zijn aanspraak op ouderdomspensioen te verhogen. Hiertoe dient hij een schriftelijke verklaring te overleggen waarin hij verklaart afstand te doen van het partnerpensioen en waarin de partner verklaart met deze afstanddoening in te stemmen.
- De deelnemer of gewezen deelnemer kan afstand doen van zijn gehele partnerpensioen, of van driekwart, de helft of een kwart daarvan. De mate waarin het ouderdomspensioen wordt verhoogd is hiervan afhankelijk.
- Het verhoogde ouderdomspensioen wordt vastgesteld door het ouderdomspensioen, waarop bij beëindiging van de deelneming aanspraak is verkregen met inbegrip van de eventueel daarop verleende toeslagen, te verhogen met:
- 20% bij uitruil van het gehele partnerpensioen;
- 15% bij uitruil van driekwart van het partnerpensioen;
- 10% bij uitruil van de helft van het partnerpensioen;
- 5% bij uitruil van een kwart van het partnerpensioen.
Bovengenoemde percentages gelden vanaf 1 januari 2005 voor een periode van vijf jaar en zullen na afloop van deze periode telkens opnieuw vastgesteld worden voor een periode van vijf jaar.
Bij de ingang van het ouderdomspensioen vóór de pensioendatum zal voorafgaand aan de uitruil het reglementaire ouderdomspensioen eerst verminderd worden door het toepassen van een leeftijdsafhankelijke actuariële kortingsfactor zoals vermeld is bij artikel 7a lid 1b.
Indien er sprake is van verkregen aanspraken op bijzonder partnerpensioen, heeft de keuze van de deelnemer of gewezen deelnemer alleen betrekking op het partnerpensioen ten gunste van een eventuele huidige partner en leidt de keuze tot een evenredig mindere mate van verhoging van het ouderdomspensioen.
- De keuze voor gehele of gedeeltelijke afstand heeft geen invloed op de hoogte van het verzekerde wezenpensioen.
^ TOP
Artikel 8 - Partnerpensioen
- Het partnerpensioen gaat in op de eerste van de maand volgend op het overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en wordt uitgekeerd tot het einde van de maand waarin het overlijden van de partner plaatsvindt.
- Het jaarlijkse partnerpensioen bedraagt 70% van het bereikte jaarlijkse ouderdomspensioen, dan wel 70% van het jaarlijkse ouderdomspensioen hetwelk de deelnemer op grond van artikel 7 onder overigens gelijke omstandigheden zou hebben kunnen bereiken op basis van de pensioengrondslag welke gold op het moment van overlijden, met dien verstande, dat hierop in mindering wordt gebracht het bijzonder partnerpensioen als omschreven in artikel 9.
- Indien de partner van een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde meer dan 10 jaar jonger is, wordt het partnerpensioen verminderd met 2,5% voor elk vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan 10 jaar bedraagt.
Deze vermindering zal niet worden toegepast indien het een partner betreft van een deelnemer die op 1 januari 1993 of op latere datum deelnemer is in het fonds.
Met ingang van 1 januari 2004 wordt deze vermindering in het geheel niet meer toegepast.
^ TOP
Artikel 9 - Pensioenaanspraken bij scheiding
- Bij scheiding verkrijgt de ex-partner van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde aanspraak op een bijzonder partnerpensioen en eventueel een gedeelte van het ouderdomspensioen.
- Het bijzonder partnerpensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgend op het overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en wordt uitgekeerd tot het einde van de maand waarin het overlijden van de ex-partner plaatsvindt.
- Het jaarlijkse bijzonder partnerpensioen bedraagt 70% van het jaarlijkse ouderdomspensioen hetwelk de deelnemer op grond van artikel 7 zou hebben kunnen bereiken indien op het tijdstip van scheiding het deelnemerschap zou zijn beëindigd op grond van artikel 3, lid 5, sub c, dan wel 70% van het jaarlijkse ouderdomspensioen hetwelk de gewezen deelnemer of gepensioneerde heeft bereikt bij het beëindigen van het deelnemerschap. Het bestuur verstrekt de ex-partner een bewijs van aanspraak.
- Het bepaalde in het derde lid vindt geen toepassing, indien de deelnemer of gewezen deelnemer en de ex-partner bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding anders overeenkomen. De overeenkomst is slechts geldig indien aan de overeenkomst een verklaring van het fonds is gehecht, dat het bereid is een uit de afwijking voortvloeiend pensioenrisico te dekken.
- Indien scheiding heeft plaatsgevonden, en de ex-partner heeft krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding jegens het fonds aanspraak op uitbetaling van een gedeelte van het ouderdomspensioen van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, zal deze aanspraak door het bestuur worden bepaald en zullen de gewezen echtgenoten hiervan schriftelijk een bewijs ontvangen.
Het ouderdomspensioen van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde zal dientengevolge na pensioeningang worden verminderd met de aan de ex-partner toegekende aanspraken. - De aanspraak op bijzonder partnerpensioen kan zonder toestemming van de daartoe volgens dit pensioenreglement gerechtigde niet bij overeenkomst tussen de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en het fonds of de onderneming worden verminderd.
De aanspraak op ouderdomspensioen van een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde kan zonder toestemming van de ex-partner niet bij overeenkomst tussen de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en het fonds of de onderneming worden verminderd, anders dan bij afkoop krachtens de Pensioenwet, tenzij de gewezen echtgenoten het recht op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding hebben uitgesloten.
Elk beding, strijdig met het in dit lid bepaalde, is nietig.
^ TOP
Artikel 10 - Wezenpensioen
- Het wezenpensioen gaat in op de eerste van de maand na het overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en wordt uitgekeerd tot het einde van de maand waarin het kind de 18-jarige leeftijd bereikt.
Voor het kind, dat de 18-jarige leeftijd heeft bereikt en waarvan de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of een opleiding voor een beroep, wordt het wezenpensioen uitgekeerd tot het einde van de maand waarin het de 27-jarige leeftijd bereikt dan wel waarin voordien niet langer wordt voldaan aan het gestelde in de begripsomschrijvingen.
Het wezenpensioen eindigt voorts op de laatste dag van de maand waarin het kind overlijdt. - Het jaarlijkse wezenpensioen bedraagt voor elk daarvoor in aanmerking komend kind 14% van het bereikte jaarlijkse ouderdomspensioen, dan wel 14% van het jaarlijkse ouderdomspensioen hetwelk de deelnemer op grond van artikel 7 onder overigens gelijke omstandigheden zou hebben kunnen bereiken op basis van de pensioengrondslag welke gold op het moment van overlijden.
Het wezenpensioen wordt maximaal voor 5 kinderen bepaald en wordt gelijkelijk over alle kinderen verdeeld.
Het wezenpensioen wordt verdubbeld met ingang van de eerste van de maand volgende op de maand waarin het kind ouderloos wordt. - Indien een gepensioneerde in het huwelijk treedt, ontstaat geen aanspraak op wezenpensioen voor uit dat huwelijk geboren kinderen, noch voor de kinderen van de echtgenote of echtgenoot welke vóór dat huwelijk zijn geboren.
^ TOP
Artikel 11 - Aanvullende regelingen
Het bestuur kan op verzoek van de onderneming de deelnemers in dienst van de onderneming een aanvullende pensioenaanspraak toekennen.
De aanvullende pensioenaanspraak en de financiering daarvan worden vastgelegd in een pensioenbrief.
^ TOP
Artikel 12 - Uitkering
- De pensioenen worden door het fonds uitgekeerd bij achterafbetaling in maandelijkse termijnen op de laatste dag van elke maand ten bedrage van 1/12 van het jaarlijkse pensioenbedrag.
- Voor de uitbetaling van een pensioentermijn kan het bestuur overlegging eisen van een bewijs, waaruit blijkt dat de rechthebbende op het pensioen in leven is, alsmede van alle andere stukken, welke door het bestuur of de verzekeraar als vermeld in artikel 14 voor de uitbetaling nodig worden geacht.
- Alle niet opgevorderde uitkeringen vervallen ten bate van het fonds vijf jaren na de datum waarop zij opvorderbaar zijn geworden. In bijzondere gevallen heeft het bestuur de bevoegdheid om anders te beslissen. Het recht op pensioen komt evenwel niet te vervallen.
^ TOP
Artikel 13 - Wijziging van wettelijk geregelde voorzieningen
- Indien nieuwe wettelijke voorzieningen worden ingevoerd of bestaande wettelijke voorzieningen worden gewijzigd, zullen de pensioenaanspraken, voorzover nodig, aan de gewijzigde situatie worden aangepast.
- In de in lid 1 bedoelde gevallen zal dit reglement met inachtneming van eventuele wettelijke voorschriften worden gewijzigd.
^ TOP
Artikel 14 - Verzekering
- Het fonds kan tot dekking van zijn pensioenverplichtingen verzekeringen sluiten bij een verzekeraar die in het bezit is van de vergunning als bedoeld in artikel 24 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, in welk geval het fonds als begunstigde zal worden aangewezen.
Het bestuur is echter bevoegd de belanghebbende als begunstigde aan te wijzen. - Indien en voorzover het fonds pensioenaanspraken heeft gedekt door het sluiten van overeenkomsten met een verzekeraar, gelden ten aanzien van deze pensioenaanspraken de verzekeringsvoorwaarden van deze verzekeraar.In dat geval is het fonds voor deze pensioenaanspraken tot geen verdere uitbetaling van enig bedrag aansprakelijk dan het fonds zelf op grond van de gesloten verzekeringsovereenkomst van de verzekeraar ontvangt. De voorwaarden van deze overeenkomst zullen voor belanghebbenden bij het bestuur ter inzage worden gelegd.
^ TOP
Artikel 15 - Financiering der pensioenen
- Telkenjare wordt een gedeelte van de totale in uitzicht gestelde ouderdoms- en partnerpensioen in het fonds ingekocht op basis van de door de actuaris vastgestelde grondslagen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het comingservicegedeelte, dat betrekking heeft op toekomstige deelnemersjaren, en het backservicegedeelte, dat betrekking heeft op voorgaande deelnemersjaren.
Het comingservicegedeelte wordt bepaald door de pensioenen die de deelnemer in uitzicht zouden zijn gesteld, indien zijn deelneming op 1 januari van het kalenderjaar zou zijn aangevangen.
Het backservicegedeelte wordt bepaald door de totale in uitzicht gestelde pensioenen te verminderen met het comingservicegedeelte.
Jaarlijks wordt het in te kopen deel van het comingservicegedeelte bepaald door het (totale) comingservicegedeelte te delen door het aantal deelnemersjaren tussen 1 januari van het kalenderjaar en de pensioendatum.
Jaarlijks wordt het in te kopen deel van het backservicegedeelte bepaald door het (totale) backservicegedeelte te verminderen met de op 31 december van het voorafgaande kalenderjaar reeds ingekochte pensioenen. - De kosten voor de inkoop van het comingservicegedeelte, het backservicegedeelte en de uitvoeringskosten, vermeerderd met de jaarlasten voor de dekking op risicobasis van het nog niet ingekochte partnerpensioen en het gehele wezenpensioen, worden jaarlijks door middel van een doorsneepremie gefinancierd.
- De doorsneepremie wordt jaarlijks door het bestuur, gehoord de actuaris, vastgesteld en uitgedrukt in een percentage van de som van de bijdragegrondslagen van alle deelnemers tezamen.
- Maximaal de backservicelasten voortkomend uit een salarisstijging volgens de CAO Metalektro, vermeerderd met een jaarlijks door het bestuur vast te stellen percentage, worden in de doorsneepremie opgenomen. Indien de salarisstijging voor een individuele deelnemer meer bedraagt, wordt de extra backservicelast bij de betreffende onderneming in rekening gebracht. Deze extra backservicelast dient in één keer door de betreffende onderneming aan het fonds te worden voldaan.
- Met inachtneming van het in de artikelen 16, 17, 18 en 20 bepaalde, is de deelnemer een bijdrage verschuldigd die wordt uitgedrukt in een percentage van de bijdragegrondslag. Dit percentage is ten hoogste gelijk aan de helft van het volgens lid 3 vastgestelde percentage.
Voor een gedeelte van een jaar wordt de bijdrage pro rata vastgesteld.
Door de onderneming zal de door de in haar dienst zijnde deelnemer te betalen bijdrage worden ingehouden in dezelfde termijnen als waarin het salaris wordt uitbetaald.
De deelnemer die nog geen 21 jaar is, is geen bijdrage verschuldigd. - De volgens de leden 3 en 4 totaal benodigde bijdrage komt voor rekening van de ondernemingen, onder aftrek van de bijdrage van de deelnemers.
De ondernemingen zullen de ingehouden deelnemersbijdrage en een evenredig deel van de door de onderneming verschuldigde bijdrage binnen één maand na inhouding aan het fonds afdragen. Binnen tien dagen na afloop van elk kalenderkwartaal moet de onderneming het vierde gedeelte van haar geschatte jaarbijdrage, alsmede de in dat kwartaal op het salaris van haar werknemers ingehouden bijdragen, hebben voldaan, met dien verstande dat zij haar jaarbijdrage in haar geheel binnen zes maanden na afloop van het betreffende kalenderjaar moet hebben betaald.
Indien de onderneming haar verplichting tot betaling niet binnen een maand na afloop van de genoemde termijnen is nagekomen, is ieder der bestuursleden van het fonds gehouden ervoor zorg te dragen dat dit binnen dertig dagen schriftelijk aan De Nederlandsche Bank N.V. wordt medegedeeld.
Tevens is de onderneming dan verplicht daarvan binnen drie maanden na afloop van die maand schriftelijk mededeling te doen aan degene wier pensioen of aanspraak op pensioen daardoor wordt getroffen, tenzij artikel 21 lid 1 van toepassing is.
^ TOP
Artikel 16 - Aanspraken en financiering bij een parttime dienstverband
- Indien tijdens (een deel van) de deelnemingstijd de tussen een deelnemer en een onderneming overeengekomen arbeidstijd korter is dan de volledige arbeidstijd, worden de aanspraken en de bijdragen vastgesteld met toepassing van een (gewogen) parttime breuk. Hierbij wordt onder de volledige arbeidstijd verstaan de arbeidstijd die geldt voor de personeelsgroep waartoe de betrokken deelnemer behoort.
- De parttime breuk is een breuk waarbij de teller gelijk is aan de overeengekomen arbeidstijd en de noemer gelijk is aan de volledige arbeidstijd.
Indien niet gedurende de gehele deelnemingstijd dezelfde parttime breuk heeft gegolden, wordt een gewogen parttime breuk vastgesteld door rekening te houden met de duur waarvoor de verschillende parttime breuken van toepassing zijn geweest.
Hierbij wordt aangenomen dat de geldende parttime breuk tot de pensioendatum van de betreffende deelnemer van toepassing blijft. - De (gewogen) parttime breuk wordt aangepast bij iedere wijziging van de overeengekomen arbeidstijd of van de volledige arbeidstijd.
- Indien dit artikel van toepassing is, wordt steeds uitgegaan van de pensioengrondslag en de bijdragegrondslag, die zouden hebben gegolden bij een volledige arbeidstijd.
- Het met inachtneming van het vorige lid volgens artikel 7 verzekerde ouderdomspensioen wordt verminderd door dit te vermenigvuldigen met de (gewogen) parttime breuk.
- De met inachtneming van het vierde lid van dit artikel volgens artikel 15 door de deelnemer en de onderneming te betalen bijdragen worden verminderd door deze te vermenigvuldigen met de geldende parttime breuk.
^ TOP
Artikel 17 - Voortzetting van de deelneming tijdens arbeidsongeschiktheid
- De deelnemer aan wie een uitkering ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen is toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 of meer, is arbeidsongeschikt in de zin van dit reglement.
- Voor het vaststellen van de aanspraken die de arbeidsongeschikte deelnemer aan dit reglement kan ontlenen, wordt de pensioengrondslag jaarlijks vastgesteld volgens artikel 6, terwijl zijn deelnemingstijd geacht wordt door te lopen tot het moment waarop genoemde uitkering wordt beëindigd of waarop zijn arbeidsongeschiktheid eindigt.
- Voor de bepaling van de pensioengrondslag wordt met ingang van 1 januari 1992 de laatstelijk vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid geldende pensioengrondslag jaarlijks herzien conform de aanpassing van de pensioengrondslag van arbeidsongeschikte deelnemers bij Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro.
Deze jaarlijkse aanpassing van de pensioengrondslag is met ingang van 1 januari 2006 niet van toepassing voor die deelnemers die na 31 december 2005 in deze regeling worden opgenomen. - De arbeidsongeschikte deelnemer is voor voortgezette deelneming geen bijdrage verschuldigd.
- De uit dit artikel voortvloeiende kosten komen ten laste van het fonds.
- De voortzetting van de deelneming door de betrokken deelnemer eindigt :
- zodra hij niet langer arbeidsongeschikt is;
- door het bereiken van de pensioendatum;
- door overlijden.
^ TOP
Artikel 18 - Voortzetting van de deelneming tijdens onvrijwillige werkloosheid
- Indien het dienstverband met een onderneming eindigt als gevolg van onvrijwillig ontslag, kan de deelnemer die op het tijdstip van ontslag 57 jaar en 6 maanden of ouder is op zijn verzoek de deelneming voor eigen rekening voortzetten mits aan de volgende voorwaarden is voldaan :
- het verzoek moet zijn ingediend binnen 6 maanden na beëindiging van het dienstverband;
- het dienstverband bij één of meer ondernemingen moet op het tijdstip van ontslag in totaal tenminste 10 jaar hebben geduurd;
- de deelnemer moet recht en uitzicht hebben op een volledige uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) respectievelijk de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV).
- Voor de voortgezette deelneming wordt de pensioengrondslag jaarlijks vastgesteld volgens artikel 6.
- Voor de bepaling van de pensioengrondslag wordt met ingang van 1 januari 1992 de laatstelijk vóór het tijdstip van voortgezette deelneming geldende pensioengrondslag jaarlijks herzien conform de aanpassing van de pensioengrondslag van arbeidsongeschikte deelnemers bij Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro.
- De deelnemer is voor voortgezette deelneming een bijdrage verschuldigd ter grootte van 25% van de bijdrage als vastgesteld volgens artikel 15, lid 3, met een maximum van 5% van de bijdragegrondslag. De deelnemersbijdrage zal worden berekend over de bijdragegrondslag zoals deze geldt op het tijdstip van ontslag.
- De uit dit artikel voortvloeiende kosten komen ten laste van het fonds, onder aftrek van de bijdrage bedoeld in lid 4.
- Het bestuur bepaalt op welke wijze, in welke termijnen en op welke tijdstippen de verschuldigde bijdrage voor de voortgezette deelneming aan het fonds moet worden voldaan.
- De voortzetting van de deelneming door de betrokken deelnemer eindigt:
- indien de verschuldigde bijdrage niet na een daartoe strekkende aanmaning is voldaan : met ingang van een door het bestuur te bepalen tijdstip;
- zodra de deelnemer geen volledige uitkering ontvangt ingevolge de WW respectievelijk WWV;
- door het bereiken van de pensioendatum;
- door overlijden.
- Indien als gevolg van een wijziging van de WW en/of WWV de WW- of WWV-uitkering van de deelnemer wordt verminderd of eindigt dan wel het uitzicht op die uitkering wordt verminderd of vervalt, blijft het bepaalde in dit artikel ongewijzigd van toepassing ten aanzien van de deelnemer van wie de voortgezette deelneming reeds voordien was aangevangen, zolang hij zijn aandeel in de pensioenkosten blijft voldoen en geen dienstbetrekking aangaat.
- Het in de leden 1 tot en met 8 van dit artikel bepaalde geldt slechts voorzover geen recht bestaat op de FVP-bijdrage zoals bedoeld in artikel 19.
- Met ingang van 1 mei 2004 kunnen geen deelnemers meer gebruik gaan maken van de in dit artikel genoemde regeling.
^ TOP
Artikel 19 - FVP-bijdrageregeling
Indien het dienstverband met een onderneming eindigt en de deelnemer uit hoofde van zijn deelneming in het fonds recht heeft op een FVP-bijdrage, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Reglement bijdrage voortzetting pensioenopbouw bij werkloosheid 1999 van de stichting FVP (Financiering Voortzetting Pensioenverzekering), en dit recht ook geldend heeft gemaakt, zal deze bijdrage worden gebruikt voor inkoop van extra pensioenaanspraken.
De hoogte van deze extra aanspraken zal worden bepaald op basis van de actuariële grondslagen van het fonds.
^ TOP
Artikel 20 - Voortzetting van de deelneming bij vervroegd uittreden
- Indien het dienstverband met een onderneming wordt beëindigd wegens vervroegd uittreden krachtens de regeling van Stichting Vroegpensioenfonds voor de Metaal- en Elektrotechnische Industrie, gevestigd te Amsterdam, van Stichting Vervroegd Uittreden uit de Metaalnijverheid, gevestigd te 's-Gravenhage, of van een andere stichting met een soortgelijk doel, kan de deelnemer het deelnemerschap voortzetten.
- Voor elk kalenderjaar wordt de pensioengrondslag vastgesteld op een door het bestuur te bepalen wijze.
- De deelnemer is voor voortgezette deelneming een bijdrage verschuldigd waarvan de grootte wordt berekend op een door de onderneming te bepalen wijze.
- De uit dit artikel voortvloeiende kosten komen ten laste van de onderneming waarbij de deelnemer het laatst werkzaam was, onder aftrek van de bijdrage bedoeld in lid 3 en van het werkgeversaandeel voorzover dat voor rekening komt van een van de stichtingen die in lid 1 worden genoemd.
- Het bestuur bepaalt op welke wijze, in welke termijnen en op welke tijdstippen de verschuldigde bijdrage voor de voortgezette deelneming aan het fonds moet worden voldaan.
- De voortzetting van de deelneming door de betrokken deelnemer eindigt :
- zodra de deelnemer geen uitkering meer ontvangt krachtens de regeling genoemd in lid 1;
- door het bereiken van de pensioendatum;
- door overlijden.
^ TOP
Artikel 21 - Verandering van aanspraken en rechten
- In het geval van een ingrijpende wijziging van omstandigheden kan een onderneming besluiten de noodzakelijke bijdrage in de kosten van de pensioenregeling te verminderen of geheel te beëindigen.I
n dat geval zullen de uit dit reglement voortvloeiende nog niet opgebouwde aanspraken respectievelijk rechten ten aanzien van de deelnemers in dienst van de betrokken onderneming worden verminderd.
Indien een onderneming voornemens is tot uitoefening van de bevoegdheid op grond van dit voorbehoud over te gaan deelt zij dit onverwijld schriftelijk mede aan het bestuur alsmede aan degenen, wier pensioenaanspraken of rechten daardoor worden getroffen.
De vermindering zal door het bestuur in een reglementswijziging worden vastgelegd, waarbij geen inbreuk zal worden gemaakt op de pensioenaanspraken respectievelijk rechten, die op grond van de verrichte stortingen reeds zijn verkregen. - Indien het bestuur op grond van een actuarieel samengestelde balans de overtuiging heeft gekregen dat de middelen van het fonds niet voldoende zijn om de reeds opgebouwde pensioenaanspraken en rechten te dekken, zullen de aanspraken respectievelijk rechten van de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden door reglements-wijziging worden verminderd.
^ TOP
Artikel 22 - Beëindiging van de deelneming vóór de pensioendatum
- Bij het beëindigen van zijn deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioendatum, verkrijgt de deelnemer een premievrije aanspraak op ouderdoms-, partner- en wezenpensioen, ingaande op dezelfde tijdstippen als waarop de oorspronkelijke pensioenen zouden ingaan.
- De premievrije aanspraak als bedoeld in lid 1 is gelijk aan de tot de datum van beëindiging voor en door de deelnemer overeenkomstig artikel 15 opgebouwde pensioenen.
- De gewezen deelnemer verkrijgt bij beëindiging van de deelneming ten minste een premievrije aanspraak op een evenredig ouderdoms-, partner- en wezenpensioen. Daaronder wordt verstaan het verschil tussen het ouderdoms-, partner- en wezenpensioen dat de gewezen deelnemer zou hebben gekregen als hij zou hebben deelgenomen tot de pensioendatum en het ouderdoms-, partner- en wezenpensioen dat hij zou hebben gekregen als hij zou hebben deelgenomen vanaf het tijdstip waarop zijn deelneming eindigde tot de pensioendatum.
Bij de berekening bedoeld in de vorige volzin wordt, voor wat betreft de gegevens die voor de vaststelling van de pensioenaanspraken van belang zijn, uitgegaan van die gegevens, zoals deze gelden op het tijdstip waarop de deelneming is geëindigd. - Het bestuur reikt de gewezen deelnemer een bewijs uit waaruit zijn volgens de leden 2 en 3 bepaalde aanspraken blijken. Tevens zal het bestuur op verzoek van de gewezen deelnemer binnen drie maanden, eventueel tegen kostprijs, een opgave van de hoogte van de opgebouwde aanspraken verstrekken.
^ TOP
Artikel 23 - Afkoop
Het fonds heeft onder de in artikel 66 tot en met 68 van de Pensioenwet genoemde voorwaarden het recht een pensioenrecht of pensioenaanspraak af te kopen indien dit niet uitgaat boven het bedrag als genoemd in artikel 66 van de Pensioenwet.
De afkoopwaarde wordt vastgesteld op basis van sekseneutrale factoren die gelden vanaf 1 januari 2007 voor een periode van vijf jaar en na afloop van deze periode telkens opnieuw door het bestuur worden vastgesteld voor een periode van vijf jaar.
Over de periode die is gelegen tussen het besluit tot afkoop en de betaling van de afkoopwaarde vergoedt het fonds een rente die wordt vastgesteld volgens het bepaalde bij en krachtens artikel 66 van de Pensioenwet.
^ TOP
Artikel 24 - Wettelijk recht op overdracht
- Het bestuur zal, bij een individuele beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioendatum, op verzoek van een gewezen deelnemer de afkoopwaarde van zijn pensioenaanspraken overdragen aan een andere instelling, zoals genoemd in artikel 23 lid 1 van de Pensioenwet, ter verwerving van pensioenaanspraken jegens die instelling, tenzij naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. de financiële toestand van het fonds of die andere instelling dat niet toelaat.
Een eventuele verplichting tot uitbetaling van een te verevenen ouderdomspensioen toegekend bij artikel 9 lid 5 wordt eveneens overgedragen aan de andere instelling. Door de overdracht vervalt de uit hoofde van dit reglement verkregen pensioenaanspraak. - Het bestuur zal op verzoek van een deelnemer de afkoopwaarde van zijn pensioenaanspraken jegens een andere instelling, als bedoeld in lid 1, aanwenden ter verwerving van pensioenaanspraken jegens het fonds, voorzover de afkoopwaarde niet aangewend kan worden ter verwerving van pensioenaanspraken jegens het bedrijfstakpensioenfonds onder welks verplichtstelling de deelnemer valt.
- Waardeoverdracht als bedoeld in dit artikel zal geschieden met inachtneming van het bepaalde in artikel 18 tot en met 28 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
- Het fonds is, met inachtneming van het bepaalde in artikel 86 van de Pensioenwet verplicht op verzoek van een gewezen deelnemer de waarde van de pensioenaanspraken over te dragen aan de Europese Gemeenschappen of aan een op grond van artikel 70, tweede lid, van de Pensioenwet aangewezen instelling.
- De leden 1 tot en met 3 van dit artikel zijn alleen van toepassing indien het deelnemerschap aanvangt respectievelijk eindigt na 8 juli 1994.
^ TOP
Artikel 25 - Waardevastheid der pensioenen
Het bestuur heeft de bevoegdheid om na ingewonnen advies van de actuaris toeslagen te verlenen teneinde de koopkracht van deze pensioenen zoveel mogelijk te handhaven.
De toeslagen worden gegeven op:
- de reeds ingegane pensioenen;
- de aanspraken van gewezen deelnemers met ingang van 1 januari 1992;
- de extra aanspraken, als bedoeld in artikel 7 lid 7, met ingang van 1 januari 1996.
Deze voorwaardelijke toeslagen zullen alle op dezelfde wijze worden bepaald en kunnen alleen dan gegeven worden wanneer zij kunnen worden gefinancierd uit de dan in het fonds beschikbare overschotten.
Voor deze voorwaardelijke toeslagen is geen bestemmingsreserve gevormd en wordt geen premie betaald.
^ TOP
Artikel 26 - Onaantastbaarheid der pensioenen
- Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde of overige belanghebbende enig recht op zijn pensioen of zijn aanspraak op pensioen aan een derde toekent, is slechts in zoverre geldig als een beslag op zijn pensioen geldig zou zijn bij ontbreken van andere inkomsten.
Zij is slechts bij hoge uitzondering toegestaan en behoeft vooraf de goedkeuring van het bestuur. - Volmacht tot invordering van het pensioen, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is slechts toegestaan als het bestuur zich hiermede akkoord verklaart en is steeds herroepelijk.
^ TOP
Artikel 27 - Algemene bepalingen
- De deelnemer onderwerpt zich aan de bepalingen van de statuten en het pensioenreglement van het fonds, hij erkent de hem in dit reglement opgelegde verplichtingen te aanvaarden en door de bepalingen van die stukken gebonden te zijn.
- Degene die aan dit reglement aanspraken en/of rechten kan ontlenen, is verplicht aan het bestuur op eerste verzoek de bewijsstukken over te leggen en de gegevens te verschaffen, die voor de uitvoering van de pensioenregeling nodig zijn.
- De gevolgen van het niet nakomen van deze verplichtingen zijn voor risico van de deelnemer, de gewezen deelnemer of de pensioengerechtigde, onderscheidenlijk diens nabestaanden.
^ TOP
Artikel 28 - Inwerkingtreding
Dit reglement is in werking getreden met ingang van 1 januari 1969 en is laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 januari 2007.
^ TOP
Bijlage I - Kortingsfactoren bij vervroegde pensionering
Tabel 1
Bij deze factoren wordt bij vervroeging van het ouderdomspensioen het opgebouwde partnerpensioen niet gekort. Dit pensioen blijft ongewijzigd.
Leeftijd bij vervroeging | Kortingsfactor in % |
64 | 8,9 |
63 | 16,8 |
62 | 23,9 |
61 | 30,2 |
60 | 35,8 |
59 | 40,9 |
58 | 45,5 |
57 | 49,6 |
56 | 53,4 |
55 | 56,8 |
Tabel 2
Bij deze factoren wordt bij vervroeging van het ouderdomspensioen het opgebouwde partnerpensioen evenredig verlaagd. Toestemming van de partner is vereist.
Leeftijd bij vervroeging | Kortingsfactor in % |
64 | 7,1 |
63 | 13,4 |
62 | 19,2 |
61 | 24,4 |
60 | 29,2 |
59 | 33,6 |
58 | 37,7 |
57 | 41,4 |
56 | 44,9 |
55 | 48,1 |
^ TOP